Onthaal  |  Voorstellen  |  Diensten  |  Laatste nieuws  |  Internationaal  |  Contact gegevens                Fr  |  Nl  |  En
 
Laatste nieuws
     


   
Laatste nieuws

FISCAAL NIEUWS VAN DE PERIODE VAN OKTOBER TOT DECEMBER 2011

 

Aangifte van de roerende inkomsten.                    Tot nog toe (t.t.z. : voor de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld tot 31 december 2011) moesten de roerende inkomsten die de roerende voorheffing ondergaan hebben, niet op het aangifteformulier in de personenbelasting worden vermeld. Met die vrijstelling is het voor de Administratie evenwel onmogelijk om na te gaan of de belastingplichtige in de nieuwe regeling met zijn interesten en dividenden de grens van (nog te indexeren) 13.675 EUR al dan niet overschreden heeft (en dus, of de bijkomende heffing van 4 % al dan niet verschuldigd is)(zie : Bijkomende heffing op roerende inkomsten).
Daarom wordt de algemene vrijstelling van de aangifteplicht nu omgedraaid in een algemene aangifteverplichting. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen moeten in hun jaarlijkse aangifte voortaan al hun inkomsten van roerende goederen en kapitalen vermelden, uitgezonderd de interesten en dividenden waarop naast de gewone roerende voorheffing van 21 % ook de bijkomende heffing van 4 % aan de bron ingehouden is. Wordt voor de niet-aangifte van deze interesten en dividenden gekozen, dan vormen de bronheffingen (roerende voorheffing van 21 % plus bijkomende bronheffing van 4 %) de definitieve belasting: zij kunnen in geen geval verrekend worden met de personenbelasting, en komen ook in geen geval voor terugbetaling in aanmerking. Interesten en dividenden die aan de bijkomende bronheffing van 4 % onderworpen zijn geweest, mogen alsnog op het aangifteformulier worden vermeld. Als dan blijkt dat er teveel bijkomende bronheffing ingehouden werd (gelet op de voormelde grens van - nog te indexeren - 13.675 EUR), zal men de teveel ingehouden belasting alsnog bij de inkohiering van de personenbelasting kunnen recupereren (via verrekening met de verschuldigde personenbelasting, of via terugbetaling)( Wet houdende diverse bepalingen, van 28 december 2011, Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, 4de ed.).

Aanslag op geheime commissielonen.                    Een interne instructie van FOD Financiën van 27 juli 2011herhaalde dat voordelen van alle aard die niet op de voorgeschreven wijze op individuele fiches gerapporteerd zijn, niet naar aanleiding van een fiscale controle geregulariseerd kunnen worden door de kostprijs ervan te verwerpen in hoofde van de vennootschap, of door ze alsnog op te nemen op het debet van de rekening-courant van de betrokkene. Nochtans was sinds jaren in de administratieve commentaar te lezen dat bepaalde uitgaven die niet op fiches gerapporteerd zijn, toch niet aan de geheimecommissielonenaanslag onderworpen moeten worden, wanneer zij met hun akkoord, als beroepsinkomsten van de bestuurders of vennoten worden belast, op voorwaarde dat die akkoordverklaring gebeurt op een ogenblik dat het nog mogelijk is de verkrijgers van de toekenningen binnen de wettelijke termijnen te belasten.

De (vroegere) minister onderstreept dat de praktijk waarbij geen fiches worden opgemaakt, en men gewoon de fiscale controle afwacht om het voordeel van alle aard (dat niet op de voorgeschreven wijze op fiches gerapporteerd is) alsnog op het debet van de rekening-courant van de genieter in te schrijven, onaanvaardbaar is. Maar aan de andere kant, ondanks de duidelijke strengheid van de wettekst, lijkt het hem verantwoord dat aan de controleambtenaren van zijn administratie, de mogelijkheid wordt geboden, om rekening te houden met het feit dat een niet-aangegeven voordeel van alle aard, nog belast zou kunnen worden in hoofde van de genieter, en dat men rekening zou kunnen houden met de goede trouw van de vennootschap die het verzuim of de vergissing heeft begaan, met het uitzonderlijke karakter van het gebrek aan aangifte, met het relatieve belang van het verzuim van de belastingplichtige in vergelijking met zijn andere fiscale verplichtingen die hij wel nakomt, enz. (Integraal Verslag, Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, 9 november 2011, CRIV 53 COM 333, 14).

 

Betalingen naar vluchtlanden.                    Het principe dat betalingen van interesten, enz., aan genieters in 'vluchtlanden' niet aftrekbaar zijn (tenzij tegenbewijs door de belastingplichtige), vormt in zijn 'geheel' beschouwd een ­oneven­redige - en dus niet-gerechtvaardigde - beperking van het vrije dienstenverkeer. Dat stelt de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie in zijn 'conclusies' van 29 september 2011 (zaak nr. C-318/10).Het stelsel inzake kostenaftrek i.v.m. prestaties geleverd door een dienstverrichter die in een 'normaal' land is gevestigd, is gunstiger dan het stelsel voor prestaties geleverd door een dienstverrichter in een vluchtland. Daardoor werkt de Belgische regeling ontradend voor belastingplichtigen die een beroep willen doen op de prestaties van laatstvermelde dienstverrichters.

 

Bijkomende heffing op roerende inkomsten.                                Er wordt een bijkomende heffing op roerende inkomsten ingevoerd, gelijkgesteld met de personenbelasting, ten laste van de belastingplichtigen die interesten en dividenden ontvangen waarvan het totale netto bedrag hoger is dan 13.675 euro (deze grens bedraagt voor het inkomstenjaar 2012 na indexatie 20.000 euro)( Wet houdende diverse bepalingen, van 28 december 2011, Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, 4de ed.).
Deze heffing wordt vastgelegd op 4 pct. van het deel van de dividenden en interesten, dat het totale netto bedrag van 13.675 euro (nog te indexeren)
overschrijdt.
De dividenden en interesten onderworpen aan een tarief van 10 of 25 pct. en de inkomsten uit spaardeposito's onderworpen aan een tarief van 15 pct. voor het gedeelte ervan dat hoger is dan de vrijgestelde schijf (van nog te indexeren, 1.250 EUR
) worden niet onderworpen aan deze heffing.
Om te beoordelen of de grens van 13.675 euro is overschreden, worden in eerste instantie de dividenden en interesten waarop de heffing niet van toepassing is, berekend. De uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden, in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap, moeten evenwel niet worden meegerekend.
De schuldenaars van de roerende voorheffing, namelijk de banken en andere financiële instellingen
 maar ook elke vennootschap, groot of klein, die een dividend toekent of uitkeert, of die interest betaalt waarop roerende voorheffing ingehouden moet worden, moeten aan het centraal aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden, de gegevens toezenden met betrekking tot de dividenden en interesten, en met identificatie van de verkrijgers van de inkomsten.
Wanneer de verkrijger van de inkomsten kiest voor een inhouding van de bijkomende heffing op roerende inkomsten, bovenop de roerende voorheffing, wordt het bedrag van die inkomsten aan het centrale aanspreekpunt niet medegedeeld.
Wanneer de verkrijger van de inkomsten niet kiest voor de inhouding van bijkomende heffing op roerende inkomsten, wordt die bijkomende heffing in voorkomend geval gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting op basis van de gegevens uit de aangifte, eventueel aangevuld met de bij het aanspreekpunt gemelde gegevens die niet waren aangegeven.
Het centrale aanspreekpunt zendt, wat een welbepaalde belastingplichtige betreft, de informatie die nodig is voor de juiste toepassing van dit artikel met betrekking tot de hier beoogde inkomsten, toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie die erom verzoekt. Wanneer, met betrekking tot een belastingplichtige, het totaal van alle tijdens een jaar medegedeelde roerende inkomsten 13.675 euro overschrijdt, zendt het centrale aanspreekpunt de inlichtingen betreffende die belastingplichtige automatisch toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie.

Er wordt dus enerzijds aan de belastingplichtige de keuze gelaten de heffing vrijwillig onder de vorm van een extra bronheffing van 4 % te betalen, en anderzijds in een mededelingsplicht voorzien vanwege de schuldenaars van de roerende voorheffing aan een centraal aanspreekpunt, én in een aangifteplicht in hoofde van de betrokken belastingplichtigen.

BTW: verhuur van onroerende goederen.                       Belastingplichtige kunnen zich soms vergissen inzake de draagwijdte van een overeenkomst. Getuige ervan een vennootschap, die een kantoorruimte in huur nam, die ze met materieel en computers inrichtte. Ze gaf een gedeelte van de ruimte in onderverhuur aan aanverwante vennootschappen, en rekende de kosten van de inrichtingen aan deze laatste. In de facturatie was een onderscheid gemaakt tussen het gedeelte “onroerende verhuur” waarop geen BTW berekend was, en de andere diensten (meubilair, brandverzekering, telefoon, fax en internet) waarop BTW wel aangerekend werd.

De Btw-administratie betwist de werkwijze van de vennootschap. Volgens de administratie is er in de relatie tussen de vennootschap en de medegebruikers van de kantoorruimte (d.w.z. de verbonden ondernemingen) geen sprake van onroerende verhuur en de levering van bijkomende diensten, doch wel van één omvattende dienst, nl. het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.

Voor de beoordeling van de aard van de verrichting gaat de Rechtbank van Eerste aanleg van Antwerpen (vonnis van 4 november 2011) na of de voorgelegde overeenkomsten (i) in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling tot doel hebben van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, (ii) dan wel tot het verrichten van een dienst strekken die voor een andere kwalificatie in aanmerking komen.

Aangezien in het voorliggende geval de diensten die de vennootschap heeft doorgefactureerd, van eenzelfde orde van grootte zijn als de doorgefactureerde onroerende verhuur, moet worden aangenomen dat die diensten geenszins bijkomstig zijn. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een hoofdzakelijk passieve terbeschikkingstelling van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen, maar wel van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt, namelijk het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (Fiscale Koerier, nr. 11/18, blz. 523).

 

Roerende voorheffing.                    Ten aanzien van interesten wordt het tarief van de roerende voorheffing in het algemeen vastgelegd op 21 %. Het tarief van 25 % blijft voor de inkomsten uit bepaalde gemeenschappelijke beleggingsfondsen, en dat van 15 % voor de interesten uit spaardeposito's waarvan de eerste schijf (van nog te indexeren 1.250 EUR) vrijgesteld is van belasting.

De inkoopbonus bij inkoop van eigen aandelen wordt voortaan onderworpen aan een roerende voorheffing van 21 % (i.p.v. 10 % momenteel).

Ten aanzien van dividenden is het tarief van de roerende voorheffing in principe 25 %. Daar waar het voorheen verlaagd kon worden naar 15 %, wordt het voortaan verlaagd naar 21 %.

De wijzigingen die voorafgaan betreffen de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2012.

 

Voordeel van alle aard- Bedrijfswagen.                Het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijke gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig wordt voortaan berekend door een CO²-percentage toe te passen op zes zevenden van de cataloguswaarde van het betreffende voertuig. Onder cataloguswaarde wordt verstaan, de gefactureerde waarde inclusief opties en BTW, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno, en dit, zowel voor nieuwe wagens als voor tweedehandse wa­gens of wagens in leasing.

Het CO²-basispercentage bedraagt 5,5 % voor een referentie-CO²-uitstoot van 115 g/km voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor, en voor een referentie-CO²-uitstoot van 95 g/km voor voertuigen met een dieselmotor.

Aan de Koning wordt opdracht gegeven jaarlijks de referentie-CO²-uitstoot te bepalen "in functie van de gemiddelde CO²-uitstoot van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk ten opzichte van de gemiddelde CO²-uitstoot van het referentiejaar 2011. De gemiddelde CO²-uitstoot wordt berekend op basis van de CO²-uitstoot van de voormelde voertuigen die als nieuw zijn ingeschreven.

Ligt de uitstoot van het betrokken voertuig hoger dan de voormelde referentie-uitstoot, dan wordt het "basispercentage met 0,1 % per CO²-gram vermeerderd, tot maximum 18 %". En omgekeerd : als de uitstoot van het betrokken voertuig lager ligt dan de voormelde referentie-uitstoot, dan "wordt het basispercentage met 0,1 % per CO²-gram verminderd, tot minimum 4 %. Dit minimum van 4 % zal steeds van toepassing zijn op de voertuigen met een uitstoot van 0 gram CO² per kilometer, zoals de elektrisch aangedreven voertuigen.

Het voordeel mag nooit minder bedragen dan (nog te indexeren) 820 EUR per jaar. Voor aanslagjaar 2013 (inkomsten van 2012) is dat bedrag na indexatie (naar alle waarschijnlijkheid) gelijk aan 1.200 EUR.

Zoals in de bestaande regeling mag het aldus berekende voordeel van alle aard verminderd worden met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel.

De nieuwe berekeningswijze van het voordeel van alle aard bij de genieter, gaat zoals gezegd gepaard met een verhoging van het fiscaal resultaat van de vennootschap die de bedrijfswagen voor privédoeleinden ter beschikking stelt : haar fiscaal resultaat moet voortaan verhoogd worden met 17 % van het forfaitair berekende voordeel van alle aard.

           

Voordeel van alle aard- Bedrijfswagen.                De Administratie  was van oordeel dat een BVBA verschillende privékosten van het echtpaar waarvan de man bedrijfsleider was, ten laste had genomen, in het bijzonder autokosten : één van de auto's van de BVBA werd blijkbaar regelmatig gebruikt door de echtgenote van de bedrijfsleider. De Administratie en het Hof van beroep van Bergen (arrest van 20 oktober 2011; Fiscoloog, nr. 1276, blz. 9) zijn van oordeel dat deze terbeschikkingstelling van de auto aan de echtgenote haar oorzaak vindt in het feit dat de man bedrijfsleider is van de BVBA. Daarom besluiten zij tot belastbaarheid als voordeel van alle aard. Tevens achten zij de forfaitaire evaluatie op basis van artikel 18 KB/WIB 1992 niet toepasselijk, omdat het niet om een gratis terbeschikkingstelling zou gaan, maar om de tenlasteneming van privékosten.
De belastingplichtigen riepen de tegenstrijdigheid in van het tegelijkertijd verwerpen van de autokosten als beroepskosten in hoofde van de vennootschap en het aanmerken ervan in hunnen hoofde als voordelen van alle aard. Het Hof wijst dat argument af. Daar zit volgens het Hof geen tegenstrijdigheid in: na te hebben vastgesteld dat de kosten niet aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB 1992 voldeden, is het aangewezen na te gaan of de tenlasteneming van deze kosten door de vennootschap betrekking heeft op uitgaven eigen aan de bedrijfsleider, in welk geval de terugbetaling ervan een voordeel van alle aard uitmaakt. Nochtans bleek de werkelijke genieter van het voordeel minder de bedrijfs­leider als zijn echtgenote te zijn.

           

 

 

© J.M. Cougnon Belastingadviezen en Expertise BVBA- Januari 2012